Vleeswarenfabriek in hoger beroep beboet voor ongeval met werknemer

Een vleeswarenfabriek moet een voorschot betalen van € 25.000 aan een werknemer die tijdens zijn werk in een ketel met kokend water viel en daarbij ernstige brandwonden opliep.

Het ongeluk gebeurde in de vleeswarenfabriek waar kookeenheden (ook wel kookketels genoemd) aanwezig zijn, waarin vlees gekookt wordt. De werknemer klom op 17 mei 2011 op een in werking zijnde kookeenheid om via een luik boven de kookeenheid in een technische ruimte te komen. Hij wilde daar een type- of serienummer noteren om een (reserve) stoomventiel te kunnen bestellen. In de kookeenheid bevonden zich vlees en vleesbouillon met een temperatuur van ongeveer 90°C. De kookeenheid, met randen van ca. 10 cm breed, was afgedekt met losliggende platen. Deze platen rustten op de randen van de kookeenheid. 
Nadat de werknemer het nummer had genoteerd klom hij weer uit de technische ruimte en liet zich op de kookeenheid zakken. Vervolgens ging de afdekplaat schuiven en gleed de werknemer met de plaat in de kookeenheid. Collega’s trokken hem uit de kookeenheid en koelden hem in de productieruimte met water.
Het slachtoffer liep door het ongeval ernstige brandwonden op aan zijn onderlichaam tot aan de liesstreek en aan zijn onderarmen en handen.
Uit onderzoek bleek dat het klimmen op kookeenheden regelmatig gebeurde en ook dat het kennelijk niet ongebruikelijk was om de route via de kookeenheid met de losse afdekplaten en het luik te nemen om in de technische ruimte te komen. Dit terwijl er ook een alternatieve, langere, route buitenom naar de technische ruimte was via een ladder en een luik in de buitenmuur. Deze route werd normaliter door externe monteurs gebruikt als het productieproces aan de gang was.
 

Uitspraak Hof

De kantonrechter achtte het bedrijf eerder niet verantwoordelijk voor het ongeluk maar het Gerechtshof in Den Bosch kwam tot een andere conclusie:
“Het hof is van oordeel dat Vleeswarenfabriek de bedrijfsruimte had kunnen inrichten en/of maatregelen had kunnen en moeten treffen die redelijkerwijs nodig waren om het klimmen op de kookeenheid te voorkomen. Niet alleen kon ook het klimmen op de niet in werking zijnde kookeenheid met losse afdekplaten tot ongevallen leiden, welke methode men daarvoor ook gebruikte, ook had Vleeswarenfabriek er rekening mee kunnen en moeten houden dat de mogelijkheid aanwezig was dat werknemers ook op de kookeenheid met de losse afdekplaten zouden klimmen als deze in werking was (met nog ernstiger gevolgen bij een ongeval). Een externe monteur was immers al eens op deze in werking zijnde kookeenheid geklommen, terwijl ook het klimmen op de kookeenheid met de vaste deksel kennelijk gebruikelijk was, soms ook als deze in bedrijf was.
Vleeswarenfabriek had het klimmen op al dan niet in werking zijnde kookeenheden en meer speciaal de kookeenheid met de losse afdekplaten kunnen verbieden of tenminste daarvoor (mondeling of schriftelijk) kunnen waarschuwen of regels kunnen opstellen. Vaststaat dat dat niet is gebeurd en dat de waarschuwing in het huishoudelijk reglement pas ná het aan[appellant] overkomen ongeval daarin is opgenomen.”
Voor de volledige uitspraak, lees hier verder.