Dure klimaatinstallaties van musea soms overbodig

De klimaatinstallaties in musea, waar de afgelopen twintig jaar voor honderden miljoenen in is geïnvesteerd, hebben soms flinke nadelen. Schade aan de monumentale museumpanden, een gepeperde energierekening en nieuwe schaderisico’s voor de collectie. Dat zei TU/e-onderzoeker Marco Martens op een symposium. Minder installatie blijkt vaak beter.

Dit blijkt uit het promotieonderzoek van Martens (faculteit Bouwkunde). Hij was de eerste spreker op het symposium ‘Naar de knoppen’, dat aan de TU Eindhoven gehouden werd. Martens volgde de afgelopen jaren het binnenklimaat in 21 Nederlandse en Belgische musea. Ook deed hij onderzoek naar schadeprocessen aan museumstukken om antwoord te krijgen op de vraag: hoe nauwkeurig moet de temperatuur en relatieve vochtigheid geregeld zijn, om schade aan de museumcollecties zoveel mogelijk te beperken?

Uit het onderzoek van Martens blijkt dat het voor een groot deel van de collecties helemaal niet zo nauwkeurig hoeft als gangbaar is in veel musea. Een binnenklimaat dat langzaam varieert met de seizoenen, is in de meeste gevallen geen probleem.

Simpele radiatoren

Veel musea zouden het dus grotendeels best zonder de speciale installaties kunnen stellen. Martens: "Met een verwarming, gebaseerd op radiatoren en de inzet van bevochtigers voor noodgevallen, en slim gebruik hiervan, heb je vaak genoeg. Alleen voor een klein deel van de collectie heb je speciale maatregelen nodig."

Rotten

Ook keek Martens naar het risico op schade aan de monumentale museumpanden. Dat blijkt aanzienlijk, door het grote verschil tussen het binnenklimaat en het weer buiten. Uit simulaties en praktijkvoorbeelden blijkt dat zich in de muren vaak vocht ophoopt, waardoor bijvoorbeeld eeuwenoude balken gaan rotten. Ook zijn er voor het aanbrengen van de installaties vaak grote ingrepen in de monumentale panden nodig geweest, waardoor ze zijn aangetast.

Defect

Maar ook de museumcollectie zelf loopt een nieuw risico door de nauwkeurige conditionering, vertelt Martens. Soms hebben installaties last van storingen, wanneer bijvoorbeeld ’s winters een bevochtiger uitvalt wordt de lucht binnen ineens kurkdroog. Daardoor kunnen de objecten scheuren die hiervoor gevoelig zijn. In het Museum voor Oude Kunst in Brussel liepen in 2009 honderden doeken schade op door een defect aan de installatie. Ook dit is reden om vraagtekens te zetten bij dure klimaatinstallaties, vindt Martens. Ze zorgen voor een perfect klimaat voor de kunst, maar als dat klimaat ineens wegvalt door een storing in de installatie, is kans op schade aan de collectie aanwezig. "En het komt best wel eens voor, dat een installatie uitvalt."

Minder streng

Zijn advies is dan ook om terug te gaan naar een minder stringente klimaatbeheersing, gebaseerd op risico’s voor de collectie en minder op strenge, algemeen geldende richtlijnen. Dat is een nieuwe manier van denken in de museumwereld, die sinds het Deltaplan voor het Cultuurbehoud (1990) veel heeft geïnvesteerd in klimaatinstallaties. Maar het biedt wel kansen, vindt Martens: een duidelijk lagere energierekening, geen schimmel in de gebouwen, en toch goed beschermde museumcollecties.