Jan Kamminga: Techniek helpt!

Tijdens het Jaarcongresn van FME,  dat gisteren plaatsvond in Nijkerk, sprak voorzitter Jan Kamminga de volgende Jaarrede uit:  De Nederlandse industrie heeft groot maatschappelijk bewustzijn. De Nederlandse maatschappij moet zich bewust worden van het belang van de industrie en van de bijdrage die de industrie kan leveren en al levert aan de oplossing van maatschappelijke […]

Tijdens het Jaarcongresn van FME,  dat gisteren plaatsvond in Nijkerk, sprak voorzitter Jan Kamminga de volgende Jaarrede uit: 

De Nederlandse industrie heeft groot maatschappelijk bewustzijn. De Nederlandse maatschappij moet zich bewust worden van het belang van de industrie en van de bijdrage die de industrie kan leveren en al levert aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Dan heb ik het over zorg, mobiliteit, veiligheid, milieu en energie.

Duurzaamheid
Dat de Nederlandse industrie zich committeert aan het streven naar duurzaamheid, blijkt wel uit de ondertekening van het Duurzaamheidsakkoord dat nog geen twee weken geleden met het kabinet is gesloten. Kern van dit akkoord is dat overheid en bedrijfsleven ervoor gaan zorgen dat de uitstoot van broeikasgassen vermindert en dat Nederland koploper wordt op het gebied van energie- en klimaatinnovatie. Daarbij is afgesproken dat de concurrentiepositie van het internationale bedrijfsleven behouden moet blijven. Nee, ik denk dat die sterker moet worden, als we tenminste onze welvaart willen behouden. En dat kán ook.

Wij begrijpen dat het nodig is te streven naar duurzaamheid. De ambitieuze doelstellingen met betrekking tot energiebesparing, terugdringing van de CO2-uitstoot en meer gebruik van duurzame energie wordt door ons niet alleen gesteund. Wij – de technologische industrie – hebben in de afgelopen jaren al een aanzienlijke besparing van het energieverbruik gerealiseerd, ook onder druk van de stijgende energieprijzen. Want zo werkt de wereldmarkt nu eenmaal.

Uit een recente publicatie (‘Verdere daling uitstoot broeikasgassen’, CBS/MNP, 8 augustus 2007) blijkt dat de Nederlandse industrie in de afgelopen 16 jaar een vermindering van CO2-uitstoot heeft gerealiseerd van maar liefst bijna twintig procent. En dat terwijl de productie toch fors is toegenomen. Die vermindering van CO2-uitstoot in onze sector staat in schril contrast met de energiesector en het wegverkeer, waar de uitstoot in die periode is toegenomen met 19 respectievelijk 36 procent. Ook de sectoren handel en overheid laten over die periode een toename zien in de uitstoot van CO2. Dit bewijst dat we als industrie voorop gaan. En het zou fraai zijn als we daarvoor gewoon de erkenning zouden krijgen.

De Nederlandse technologische industrie draagt via haar innovatieve en maatschappijbewuste aanpak bij aan oplossingen voor maatschappelijke problemen, op gebied van energie, milieu, zorg, mobiliteit en veiligheid. Op 27 november komt minister Eurlings van verkeer spreken over mobiliteit bij Industriepoort, dat mede door FME wordt georganiseerd. En minister Klink van volksgezondheid, die we tijdens de ‘honderd dagen’ samen met zijn collega-ministers Eurlings en Van der Hoeven van EZ hebben gesproken bij Polynorm, is inmiddels in gesprek met de medische technologie, die ook bij ons in huis zit.

Mevrouw de minister, u heeft vanmiddag van die bijdrage die wij leveren een aantal voorbeelden gezien en gehoord, in de film en vanuit de zaal. Ik kan u zeggen, ik ken wel honderd voorbeelden en die heb ik voor u verzameld. Ik heb er een boekje van gemaakt. Dat krijgt u straks.

Trots op Nederlandse industrie
Er is alle reden om trots te zijn op Nederland en op de Nederlandse industrie. Wij kennen geen ‘zesjesmentaliteit’, er wordt al heel lang op topniveau gewerkt aan creatieve, innovatieve oplossingen. We exporteren veel meer dan tulpen, kaas en ecstasy.
We hebben bijvoorbeeld een voortrekkersrol op het gebied van dredging – baggeren, aanleg van havens etcetera. We exporteren bergen aan kennis en kunde op dat terrein, waarmee we bijdragen aan een leefbaarder wereld voor velen. De Verenigde Staten hebben, na de verwoestingen die de orkaan Katrina twee jaar geleden in New Orleans heeft aangericht, voor het eerst buitenlandse kennis naar binnen gehaald. Vanuit Nederland dus! Het palmboomvormige eiland voor de kust van Dubai, de tulp die mogelijk voor de Nederlandse kust wordt aangelegd, het zijn allemaal Nederlanders. Die status, die we op dit terrein al hebben bereikt, ligt voor het oprapen als het gaat om energietechnologie.

Wat moet er gebeuren?
Wat moet er gebeuren om optimaal gebruik te maken van wat onze technologische industrie in dit kader te bieden heeft en vooral ook om onze internationale concurrentiepositie te kunnen handhaven? Want laten we wel wezen: uiteindelijk draait alles om het onderschatte belang van die internationale concurrentiepositie.

Kennis
Wat nodig is, is meer kennis en die kennis uitwisselen. De kenniskloof tussen bedrijf en de kennisinstellingen is nog steeds een belangrijk knelpunt. Het overbruggen van die kloof is de sleutel tot succes. Dat kan door samen met alle betrokken partijen inhoud te geven aan vraaggestuurde kennisontwikkeling. Verder moeten er met spoed concrete en samenhangende doelen voor alle betrokken partijen worden geformuleerd en die partijen moeten worden afgerekend op de behaalde resultaten. Kortom, er moet samenhang worden gerealiseerd in kennisontwikkeling en kennisuitwisseling.

Tekort aan goed opgeleide werknemers
En dan een permanent punt van aandacht, van grote zorg zelfs. Het groeiende tekort aan werknemers in de technologische sector is niet alleen slecht voor de bedrijven, maar ook voor de Nederlandse economie in haar geheel. Ik kom bij honderden bedrijven. Waar ik ook kom, iedere ondernemer noemt dit. Bedrijven zien zich geconfronteerd met langere levertijden. Het gaat ten koste van de kwaliteit, van innovatie en noem maar op.

Goed opgeleid personeel is schaars. Een van de belangrijkste oorzaken is erin gelegen dat de instroom van goed opgeleide technici en technologen op alle niveaus ver achterblijft bij wat de bedrijven nodig hebben.

Gelukkig kunnen wij ook vanuit FME een rol spelen in het verbeteren van de situatie. Minister Van der Hoeven heeft mij, mede namens minister Plasterk van onderwijs, gevraagd voorzitter te worden van de kwartiermakers van de Taskforce Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt, de TTOA. We willen dit jaar nog ons actieplan klaar hebben.

Het gaat niet enkel om de instroom vanuit het onderwijs. Natuurlijk is het van belang dat meer jonge mensen kiezen voor een baan in de techniek of technologie. Ook zijn er te veel drop-outs. En natuurlijk moeten we proberen die terug te halen. Maar daarnaast zijn er, zoals altijd, andere wegen die naar Rome leiden. Bijvoorbeeld arbeidsmigratie. Wij willen kenniswerkers vanuit de hele wereld kunnen inzetten. En ook de upgrading van zittend personeel en zij-instroom vanuit verwante vakgebieden kunnen bijdragen aan de oplossing van de huidige tekorten.

De TTOA zal samen met alle betrokkenen de problematiek goed in kaart brengen om van daaruit een plan van aanpak te maken en – laten we het belangrijkste niet vergeten – dat met daadkracht uit te voeren.

Flexibele arbeidsmarkt
Wat moet er verder gebeuren om optimaal gebruik te maken van wat de technologische industrie te bieden heeft en onze internationale concurrentiepositie te handhaven? Een flexibele arbeidsmarkt is een andere belangrijke voorwaarde.

Het zal u niet zijn ontgaan dat er door de vakbonden actie wordt gevoerd tegen modernisering van het ontslagrecht. De globaliserende economie vraagt om flexibel inspelen op groei en achteruitgang. De snelheid waarmee we als land bij internationale groei kunnen aanhaken zal in de toekomst, meer nog dan nu, bepalend zijn voor de werkgelegenheid. Nu nog is het zo dat de werkgelegenheid pas begint te groeien als de economie al lang op gang is gekomen. Bedrijven hebben behoefte aan flexibiliteit, ze moeten kunnen reageren op veranderingen in de markt. Dat is de economische realiteit waar we in Nederland mee te maken hebben. Het tijdperk van een baan voor het leven is al lang voorbij. Het gaat om werkzekerheid, niet om baanzekerheid.

CAO
In de onlangs gesloten CAO voor de Metalektro hebben we gekozen voor de jongeren. Hoger opgeleide mensen, beter en breder inzetbaar personeel en grotere aantrekkelijkheid van onze sector voor jongeren, gekoppeld aan flexibiliteit. Dat waren de uitgangspunten bij de CAO-onderhandelingen. Een focus waarover uiteindelijk verrassend genoeg soepel overeenstemming met de vakbonden werd bereikt.

We hebben een aantal grote stappen gezet. De seniorendagen die zo belemmerend werken in de werkorganisatie verdwijnen, gefaseerd. Werkgevers krijgen de mogelijkheid om meer adv-dagen in te kopen. Er komen hogere salarissen voor jonge mensen en stimulansen voor de werknemers in de arbeidsverhoudingen met betrekking tot werkzekerheid en ontplooiingskansen.

Dit zijn de ingrediënten die de nieuwe CAO maken tot een moderne CAO. Ik durf wel te zeggen dat we gekozen hebben voor een baanbrekende aanpak. We hebben gekozen voor een nieuwe toonzetting, gericht op grotere aantrekkelijkheid van onze branche voor jonge mensen en minder onevenwichtige arbeidsvoorwaardelijke voordelen voor ouderen. We kiezen voor meer gemotiveerde mensen en een sector die beduidend aantrekkelijker is voor mensen die willen en kunnen werken. Als ik het allemaal overzie, die CAO… In Groningen zouden we zeggen: “’t Kon minder!”

Kennisontwikkeling, voldoende goed opgeleid personeel en een flexibele arbeidsmarkt. Al deze elementen kunnen en moeten bijdragen aan verhoging van de productiviteit, alles in het kader van de internationale concurrentiepositie van Nederland. Want – ik kan het niet vaak genoeg zeggen – daar draait het om, om onze internationale concurrentiepositie.

Duurzaam investeren
Wat willen wij van de overheid? Er is geen cultuur van duurzaam investeren. De samenleving moet anders calculeren als zij investeert. Tot op heden worden bij het doen van investeringen drie productiefactoren meegewogen: arbeid, grondstoffen en kapitaal. Daar moeten we een vierde aan toevoegen, te weten duurzaamheid.

Mag ik u een voorbeeld geven: Neem straatverlichting. Er zijn nieuwe technologieën, zoals betere lampen, elektronische voorschakelapparaten en dimsystemen, die reeds beschikbaar en direct toepasbaar zijn waarmee een substantiële bijdrage geleverd kan worden aan de CO2-reductie. De overheid kan als ‘launching customer’ deze energiezuinige en dus milieuvriendelijke technologie in de markt zetten. Als de overheid alleen nog investeert in dergelijke straatverlichting wordt een directe energiebesparing gerealiseerd van 35 procent, dat staat voor het jaarverbruik aan elektriciteit van 75.000 huishoudens in Nederland. Die 35 procent energieverbruik staat ook voor zeven miljoen bomen die één jaar moeten groeien om de uitstoot aan CO2 op te nemen.

Als zo een investering wordt gecombineerd met dimsystemen waardoor alleen op momenten dat het nodig is de verlichting aan gaat, levert dat een nóg grotere besparing op.
Mevrouw de minister, nú duurzaam investeren maakt acties van de overheid naar anderen om duurzaam te werken geloofwaardiger.

Krediet- en garantieregeling
Op aandringen van FME heeft Minister Van der Hoeven van EZ haar ambtenaren opdracht gegeven om een nieuw kredietinstrument te ontwikkelen. Dit richt zich op het stimuleren van ontwikkelingsprojecten (producten, processen en diensten) waaraan substantiële technische en daaruit voortvloeiende financiële risico’s zijn verbonden. De bedrijven kunnen voor hun financiering niet of onvoldoende terecht op de kapitaalmarkt. Het is goed dat EZ de ontwikkeling van een dergelijk instrument nu zo voortvarend oppakt. Ik zou graag u, minister Cramer, vragen om samen met uw collega-minister Van der Hoeven te komen tot een gezamenlijk instrument met voldoende budget.

We vragen geen subsidie. En al helemaal niet met een hoop administratieve rompslomp. Ik bekijk het van een geheel andere kant. Het is uw belang, mevrouw de minister, dat ondernemers meer risico gaan nemen in product- en procesontwikkeling ten behoeve van uw duurzaamheidsbeleid. Waarom komt er niet meer en sneller van de grond? Investeringen worden niet altijd of niet snel genoeg terugverdiend en dus blijven ze vaak op de plank liggen. Als ik minister was, dan zou ik een zodanige krediet- en garantieregeling ontwerpen dat ondernemers op dit punt geprikkeld worden. Ze vragen niet om subsidie, maar willen risico’s die vanuit bedrijfsperspectief onverantwoord zijn afgedekt zien.

Infrastructuur voor energie-innovatie
Dames en heren, wat ik nu heb gezegd heeft betrekking op duizenden ondernemers, individueel, ieder op zijn eigen plek. Waar we het nog niet over hebben gehad, is over een breed en structureel opgezet proces voor energie-innovatie. Daar liggen andere grote mogelijkheden voor baanbrekende operaties. Als we eerlijk zijn moeten we vaststellen dat er geen goed werkende infrastructuur is voor de ontwikkeling van duurzame energie. Daarnaast, mevrouw de minister, geldt ook voor deze sector dat uw eigen regelgeving nog steeds belemmerend en vertragend werkt bij het snel realiseren van investeringsprojecten voor nieuwe energietechnologie. En dat in een periode waarin er zoveel kansen liggen.
Wat we nodig hebben, is een integrale visie op energie-innovatie. Als we die hadden gehad, zou de kennis en de industrie rond windenergie nooit zijn weggewaaid naar Duitsland, Spanje en Denemarken.

Kijk, vaak is innovatie het gevolg van de markt, van de druk die daaruit voortkomt. Er is een probleem, de klant wil een oplossing. Er is concurrentie. Er moet iets nieuws worden bedacht. Tom Poes, verzin een list. Zo wordt in de praktijk innovatie vaak geboren. Er zijn geen ondernemers die op dinsdagmorgen om kwart over tien aan hun bureau gaan zitten en plechtig aan zichzelf verklaren: vandaag ga ik innoveren. Als ons land van die niet bestaande categorie ondernemers afhankelijk zou zijn waar het om energie-innovatie gaat, dan kon mevrouw de minister haar doelstellingen wel vergeten.

Ik ben blij dat met de wisseling van het kabinet de prioriteit die innovatie had is gehandhaafd. Terecht besteedt het kabinet veel aandacht aan de kansen die Nederland heeft. De nadruk ligt op kennis, innovatie en talentontwikkeling. Innovatie wordt de sleutel tot oplossing van maatschappelijke vraagstukken genoemd. Het is nu tijd om deze kansen te verzilveren.

Nederlands Platform voor Energietechnologie (NPE)
Zoals gezegd hebben we een integrale visie op energie-innovatie nodig. Wat er moet gebeuren is dat er een centraal coördinatiepunt komt dat toegankelijk is voor alle belanghebbenden: overheden, kennisinstituten, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties. Wij pleiten daarom voor een Nederlands Platform voor Energietechnologie (NPE). Zo’n NPE heeft als doel Nederland te laten excelleren op het gebied van energietechnologie en de toppositie in de wereld te bereiken.

Een NPE versterkt samenwerking en afstemming in Nederland om een grote bijdrage te leveren aan het oplossen van het internationale klimaatvraagstuk en de Nederlandse positie op de internationale wereldmarkt uit te bouwen. Toonaangevende Nederlandse organisaties met internationale en maatschappelijke ambities om het gebied van energietechnologie moeten de krachten bundelen en samenwerken. Wat zouden we bovendien scoren tegen de achtergrond van de Europese agenda.

Tot slot:
We hebben elkaar hard nodig. Samen kunnen we veel bewerkstelligen, veel bereiken. Net zoals bij zorg en mobiliteit kunnen we ook als het gaat om duurzaamheid de wedstrijd winnen. Met bedrijven die kunnen investeren in de energie-efficiency van hun productie, met een stimulerende overheid, met een investeringsfonds voor energie-innovatie en met het ontwikkelen van een markt waarin de overheid optreedt als launching customer.