Er bestaan een aantal normen die de bepaling van de laagdikte van een coating op een stalen ondergrond bepalen, maar het is niet altijd even duidelijk wanneer welke norm moet worden toegepast.
De basis voor de laagdiktebepaling wordt gelegd in NEN-EN-ISO 12944-5 Verven en vernissen – Bescherming van staalconstructies tegen corrosie door middel van verfsystemen – Deel 5: Beschermende verfsystemen. In hoofdstuk 5.4 "Dikte van de droge laag" wordt aangegeven dat de methode en procedure voor de bepaling van de dikte van de droge laag op ruwe oppervlakken zal worden gedaan conform ISO 19840, en voor gladde en gegalvaniseerde oppervlakken conform ISO 2808.
Voor laagdiktebepaling op "gladde" ondergronden wordt gebruikt gemaakt van NEN-EN-ISO 2808 Verven en vernissen – Bepaling van de laagdikte.
Deze norm beschrijft alle mogelijke meetmethoden, meetprincipes en instrumenten om laagdiktes van organische deklagen te meten. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen "natte laagdikte" (van de nog niet doorgedroogde/uitgeharde verflaag), "droge laagdikte" (uitgeharde verflaag) en de ongecurede poederlaag"(de dikte van de elektrostatisch aangebrachte pedercoating vóór het uitharden in de moffeloven). In deze norm worden geen criteria voor monstername en acceptatie genoemd en er wordt uitgegaan van gladde oppervlakken.
Voor laagdiktebepaling van organische deklagen op "ruwe" oppervlakken wordt gebruik gemaakt van NEN-EN-ISO 19840 Verven en vernissen – Corrosiebescherming van staalconstructies door beschermende verfsystemen op – Meetmethode en aanvaardingscriteria voor de droge laagdikte op ruwe oppervlakken.
Bij deze norm gaat het vooral om gestraalde staaloppervlakken (constructies, tanks etc.), waarbij sprake is van een bepaalde (vaak voorgeschreven) ruwheid van het oppervlak.
Voor de beschermende werking van een verfsysteem is de laagdikte van belang. Er kan echter een groot verschil zijn in de werkelijke laagdikte en de gemeten laagdikte als gevolg van het verschil in top-dal van de ruwe ondergrond. Dat verschil kan algauw richting 50 µm gaan, en is dus van grote invloed op de beschermende werking van het verfsysteem.
In deze norm ligt de nadruk op monstername en interpretatie van de meetwaarden en worden ook de acceptatiecriteria gegeven, waarbij wordt uitgegaan van een ruwe ondergrond.


