Een goede werknemer is intelligent, consciëntieus en past bij de organisatie, zo blijkt uit psychologisch onderzoek. Toch zijn sollicitatiegesprekken traditioneel te weinig gestructureerd om te achterhalen of de sollicitant aan die laatste eis wel voldoet. Intussen doen webcams en computergames hun intrede in de selectiepraktijk. In haar inaugurele rede Vruchten van Selectie bespreekt Marise Born […]
Een goede werknemer is intelligent, consciëntieus en past bij de organisatie, zo blijkt uit psychologisch onderzoek. Toch zijn sollicitatiegesprekken traditioneel te weinig gestructureerd om te achterhalen of de sollicitant aan die laatste eis wel voldoet. Intussen doen webcams en computergames hun intrede in de selectiepraktijk. In haar inaugurele rede Vruchten van Selectie bespreekt Marise Born op vrijdag 30 november 2007 de belangrijkste ontwikkelingen uit de selectiepsychologie. Marise Born is hoogleraar personeelspsychologie, in het bijzonder de selectiepsychologie, aan het Instituut voor Psychologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
De selectiepsychologie houdt zich bezig met testontwikkeling en selectie van personen voor een beroep of opleiding, en kijkt hierbij vooral naar de verschillen tussen mensen. Het is een van de oudste toepassingsgebieden van de psychologie, en wordt steeds belangrijker, omdat onze samenleving zich steeds meer is gaan richten op prestaties en capaciteiten. Een van de meest stabiele bevindingen uit de selectiepsychologie is dat algemene intelligentie de beste voorspeller is van toekomstig werksucces. Van de persoonlijkheidsfactoren blijkt consciëntieusheid, een combinatie van nauwgezetheid en betrouwbaarheid, de beste voorspeller van werkprestaties.
Onpersoonlijk
Het veel gebruikte en traditioneel slecht gestructureerde selectiegesprek is een zeer matige voorspeller. Selecteurs denken doorgaans vooraf niet grondig na over specifiek te stellen vragen en maken vaak nauwelijks aantekeningen of gekwantificeerde beoordelingen. Managers vinden het voeren van gestructureerde gesprekken meestal niet prettig, omdat ze zelf graag controle willen hebben over het proces en de vragen, en een bewust gestructureerd gesprek veel te onpersoonlijk vinden worden.
Selectiepsychologisch onderzoek is zich gaandeweg steeds meer gaan richten op sociale en cognitieve factoren die het gedrag van betrokkenen bij het selectieproces kunnen beïnvloeden. Zo hebben sollicitanten meer kans om gekozen te worden door een selecteur, als hun opvattingen over niet-werkgerelateerde onderwerpen overeenkomen. Ook blijken complimentjes aan het adres van selecteur beter te werken dan het promoten van jezelf. Alleen al een betere structurering kan het selectiegesprek aanmerkelijk meer valide maken.
Intussen is de selectiepraktijk volop in beweging. Er wordt gebruik gemaakt van videotests, webcams en computer games, en de sollicitant kan de test thuis zonder toezicht invullen. Het is nodig om te onderzoeken wat dergelijke technieken precies meten, en wat de waarde is van het thuis invullen van tests, aldus Marise Born. “Ook is het belangrijk na te gaan of moderne selectiemiddelen bepaalde groepen niet onbedoeld achterstelt. Zo bestaat het stereotype beeld dat jongens computerspelletjes leuker vinden dan meisjes. Werkt dit niet in het nadeel van vrouwen? Hiervoor moeten we niet alleen onderzoek doen in het psychologisch lab, maar ook in daadwerkelijke selectieprocedures. Een laboratoriumstudent is geen sollicitant.”