Twee zelfstandige ondernemers deden een klus voor een opdrachtgever. De ene ondernemer had zijn collega zzp-er ingehuurd om samen montagewerkzaamheden aan een ventilatie-unit te doen. De collega zzp-er kwam bij deze klus om het leven. Aangezien er geen sprake was van werkgeverschap werd de inhurende ondernemer vrijgesproken van overtreding van artikel 32 Arbowet.

De inhurende ondernemer (verdachte) en de collega zzp-er (slachtoffer) gingen aan de slag met diverse montagewerkzaamheden aan een ventilatie-unit nabij een dak. Om die werkzaamheden uit te voeren hebben verdachte en slachtoffer gebruik gemaakt van een vorkheftruck waarbij op de vorkheflepels een bak (een draadstalen container) was geplaatst. De onderkant van de bak was niet voorzien van een voorziening die het omkiepen van de container vanaf de heflepels kon voorkomen. Verdachte heeft de vorkheftruck bestuurd en het slachtoffer is in de bak gaan staan. Verdachte heeft de bak en slachtoffer met de vorkheftruck tot 3,95 meter boven de werkvloer omhoog gebracht. Het slachtoffer is vervolgens begonnen met het opmeten van bepaalde afstanden en het doorgeven daarvan aan verdachte, die zich op de werkvloer bevond om de materialen op maat te maken. Terwijl verdachte bezig was om een pijp op maat te maken hoorde verdachte een klap en bleek het slachtoffer uit de bak te zijn gevallen. De bak is ook van de heflepels gevallen. Het slachtoffer is ter plaatse aan de verwondingen door de val overleden.
Werkgeverschap
Volgens artikel 32 van de Arbowet is het de werkgever verboden handelingen te verrichten of na te laten in strijd met de Arbowet of de daarop rustende bepalingen, indien daardoor, naar hij weet of redelijkerwijs moet weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer ontstaat of te verwachten is.
Echter, was de verdachte wel werkgever in de zin van de Arbowet?
Ze waren beiden zelfstandig ondernemer en er was geen sprake van een arbeidsovereenkomst noch van de situatie dat het slachtoffer aan verdachte ter beschikking was gesteld voor het verrichten van arbeid. Maar verdachte was wel aanspreekpunt voor de klant (opdrachtgever) en liet zich een hoger tarief betalen dan het slachtoffer. Dit kan duiden op een gezagsverhouding.
Daarentegen kon het slachtoffer zelf beslissen of hij de klus aannam of niet en hij had ook eigen klussen. Verdachte heeft verklaard dat de verdeling van de uitvoering van het werk in onderling overleg tot stand kwam, waarbij het slachtoffer net zo goed de vorkheftruck had kunnen besturen terwijl verdachte in het bakje stond. De rechtbank concludeert op basis van dit dossier dat wat betreft de uitvoering van de opdracht sprake was van gelijkwaardigheid en dat de rollen van verdachte en slachtoffer nagenoeg inwisselbaar waren. Er was geen gezagsverhouding en dus ook geen werkgeverschap. Verdachte werd vrijgesproken.
Lees de uitspraak:
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-overijssel/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbove-2019-2646




